10 jaar pionierende leraren, hoe verder?

Op de Dag van de Leraar, vrijdag 5 oktober 2018, vond het LOF-festival plaats op het ROC Midden Nederland in Amersfoort. Het LOF stelt leraren in staat om zelf aan onderwijsontwikkeling te werken en elkaar door netwerkvorming te versterken. Tijdens het festival vond er een besloten rondetafelgesprek plaats tussen beleidsmakers, (ex-) deelnemers van LOF en Onderwijs Pioniers om samen de toekomst van LOF te bespreken.

Wat heeft LOF de leraar gebracht qua pionieren en onderwijsvernieuwing? is de vraag waarmee het gesprek start. ‘Door de subsidie die LOF verstrekt aan deelnemers gaat er iets bewegen in de school’, zegt Rodney Nanninga van LOF-project Geo Future School. Hij legt uit dat het erkenning geeft, van het schoolbestuur, en dat er een creatieve mindset in de school ontstaat. ‘We worden met z’n allen ontwikkelaars.’ ‘Maar het roept ook weerstand op’, stelt Marcel Janse, ex-deelnemer van een LOF-traject, ‘niet alle leden van het team (of van het bestuur) doen meteen juichend mee.’

Michiel van Houtum, tevens van LOF-project Geo Future School, legt uit dat op een gegeven moment directie, collega’s maar ook andere scholen enthousiast worden. ‘Dan groeit het ook en wordt het een gezamenlijke ambitie.’ ‘Als er dan weestand is, moet dat uitgesproken worden’, zegt Sanne Hulst van Kindcentrum Talent.nl: ‘Door te luisteren naar wat er gaande is en waar de weerstand in zit, is het niet alleen mijn idee. Dit idee is halverwege van koers veranderd, zodat het hele team er mee kon werken”. Lucelle Deneer, LOF-deelnemer en leraar op het Christelijk College Groevenbeek te Ermelo, beschouwt weerstand tijdens het uitwerken van haar project als een cadeau. ‘Je kunt naar mensen toetrekken die het allemaal geweldig vinden, maar juist de mensen die weerstand tonen, komen met tips.’

Macro Snoek, lector Leren & Innoveren bij de Hogeschool van Amsterdam vat samen: ‘LOF levert veel passie omdat leraren zelf bezig zijn met het ontwikkelen en verbeteren van het onderwijs; het draagt bij aan de lol in het beroep. Dat is in deze tijd van tekorten en hoge werkdruk belangrijk. LOF creëert een netwerk van innoverende leraren. Tegelijkertijd biedt het ondersteuning bij het doen van onderzoek. Snoek voegt hieraan toe: “Niet alleen innovatieruimte maar ook professionalisering van leraren; hoe werk ik eigenlijk aan onderwijsinnovatie?”. Anders gezegd faciliteert LOF onderwijsverbeteringen.

Pioniers zullen er altijd zijn en zij moeten goed begeleid worden. De vraag is alleen of hier onderzoeksorganisaties voor nodig zijn om dit te faciliteren. Marcel Janse benadrukt dat het belangrijk is dat er een bepaalde structuur komt op scholen: “Hoe organiseer je R&D (Research & Development) op scholen?”. LOF biedt ruimte, tijd en geld om innoveren mogelijk te maken maar het is tijdelijk. Paul van Meenen, Tweede Kamerlid D66, is van mening dat het de optimale invulling van het werk van een leraar is om zelf ruimte voor innovatie te hebben. ‘Je kunt beter een uurtje nadenken over het onderwijs dan weer hetzelfde onderwijs geven.’ Bovendien vindt hij, zoals het nu geregeld is met betrekking tot onderzoek en ontwikkeling op scholen nog niet voldoende. ‘Ik maak mij best wel zorgen. Als je eenmaal die vrijheid door LOF hebt gekregen, kun je die dan ook behouden?’

Michel Rog, Tweede Kamerlid namens CDA, gaat verder over de toekomst van het LOF. ‘Moeten we ervoor pleiten dat LOF behouden blijft? Zo ja, wie stuurt dit aan? Of moeten we dit op een andere manier inrichten?’ Rog concludeert: ‘Wat LOF doet, is razend interessant en een voorbeeld voor professionalisering van het leraarschap.’ Paul Rosenmöller, bestuurder van de VO-raad, vindt dat we de kracht van het initiatief moeten vasthouden. ‘Maar misschien moeten we het wel verbinden met datgene wat er op de school gebeurt op het terrein van professionalisering.’

Kimon Moerbeek van Kennisland, een organisatie die zich inzet voor de ontwikkeling en verspreiding van kennis, vervolgt: ‘Ik denk dat LOF een soort laboratorium is waarbinnen we het leraarschap en het onderwijs opnieuw aan het uitvinden zijn. Het experiment is nog niet af. Wel weten we dat een belangrijk fundament is gelegd en dat dit programma veel handvatten biedt om impact te hebben op de rol van de leraar en onderwijsvernieuwing.’

‘LOF heeft mij laten zien dat het enorm de moeite waard is om te investeren in de ontwikkeling van de leraar en om leraren de ruimte te geven’, zo concludeert Van Meenen. De vraag blijft echter of we doorgaan met het geven van ruimte van dit soort particuliere initiatieven of dat we ervoor zorgen dat dit onderdeel van het systeem wordt. Hoe de toekomst van het LOF eruit zal zien, blijft dus nog even onzeker.

Claire van Cleef en Kimberley Snijders
Derdejaars Academische Pabo-studenten
Marnix Academie te Utrecht